ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3743
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens niet-onverwijld melden
Eiser, een Mauritaanse asielzoeker, diende op 3 juni 1998 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en subsidiair voor een verblijfsvergunning om humanitaire redenen. Verweerder stelde dat de aanvraag niet-ontvankelijk was omdat eiser zich niet onverwijld had gemeld, terwijl het Aanmeldcentrum ook tijdens Pinksteren open was. De rechtbank vond dat verweerder eiser en zijn neef niet voldoende met tegenstrijdige verklaringen had geconfronteerd en dat de datum van aankomst niet duidelijk was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de situatie in Mauritanië niet zodanig was dat asielzoekers automatisch als vluchteling konden worden aangemerkt. Eiser slaagde er niet in voldoende aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gegronde vrees voor vervolging had. Zijn relaas over detentie en mishandeling werd niet als zwaarwegend beschouwd en de discriminatie van zijn bevolkingsgroep bood onvoldoende grond voor toelating.
Ook was er geen aannemelijk risico dat eiser bij terugkeer een behandeling zou ondergaan die verboden is onder artikel 3 EVRM Pro. Klemmende humanitaire redenen voor een verblijfsvergunning werden niet vastgesteld. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van verweerder.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid blijft gehandhaafd.