ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3474

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/19251 VRONTN
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming afgewezen als niet-ontvankelijk

Eiser, een vreemdeling van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht de rechtbank om schadevergoeding voor de ten onrechte ondergane vrijheidsontnemende maatregel die langer dan de toegestane 48 procesuren in het aanmeldcentrum zou hebben geduurd. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 5 februari 2002 geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig was en deze op 6 februari 2002 werd opgeheven, maar dat er geen gronden waren voor schadevergoeding.

Bij het huidige verzoek van 14 maart 2002 betoogde eiser dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was vanaf 30 januari 2002 tot 22 februari 2002, omdat hij niet tijdig was doorgezonden naar een opvangcentrum. Verweerder stelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat de rechtmatigheid van de maatregel reeds was beoordeeld.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een verzoek tot schadevergoeding slechts kan worden ingediend in combinatie met een beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel of tijdens de zitting van dat beroep. Nu hierover reeds een rechterlijk oordeel was gegeven en de maatregel was opgeheven, kon de rechtbank het verzoek niet opnieuw beoordelen.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 02 / 19251 VRONTN
inzake: A, geboren op [...] 1970, van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Opvangcentrum Dordrecht, eiser,
gemachtigde: mr. S.B. Kleerekoper, advocaat te Utrecht,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 27 januari 2002 is ten aanzien van eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast. Een eerder beroep is bij uitspraak van 5 februari 2002 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard waarbij de rechtbank geen termen zag om over te gaan tot het toekennen van schadevergoeding.
Bij verzoek van 14 maart 2002 heeft eiser schadevergoeding gevorderd.
Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 26 maart 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De behandeling van eisers asielaanvraag in het aanmeldcentrum (AC) heeft de 48 procesuren overschreden. Na ommekomst van deze 48 procesuren had eiser doorgezonden moeten worden naar een Opvangcentrum met opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit is niet gebeurd. Eiser heeft recht op schadevergoeding voor de ten onrechte ondergane vrijheidsontnemende maatregel vanaf 30 januari 2002 om 17.30 tot 22 februari 2002.
Verweerder heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt dan wel indien de vrijheidsontnemende maatregel reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven. Hieruit volgt dat een verzoek tot schadevergoeding slechts gecombineerd met een beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel of ter zitting van het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel kan worden ingediend.
De rechtbank stelt vast dat omtrent de vrijheidsbeneming die eiser onrechtmatig acht reeds een rechterlijk oordeel is gegeven en wel bij uitspraak van 5 februari 2002 (AWB 02/7727). De vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 is op 6 februari 2002 opgeheven als gevolg van die uitspraak. Tevens is geoordeeld dat voor het toekennen van schadevergoeding geen termen aanwezig waren.
Gelet op vorenstaande kan door middel van het door eiser ingediende verzoekschrift thans niet opnieuw de rechtmatigheid van de door eiser ondergane maatregel aan de orde worden gesteld dan wel alsnog de rechtbank worden verzocht om op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot veroordeling van een der partijen in de proceskosten van de andere partij.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk,
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 2 april 2002, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier.
afschrift verzonden op: 5 april 2002
Conc.: DT
Coll:
Bp: -
D: B
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.