ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3474
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming afgewezen als niet-ontvankelijk
Eiser, een vreemdeling van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht de rechtbank om schadevergoeding voor de ten onrechte ondergane vrijheidsontnemende maatregel die langer dan de toegestane 48 procesuren in het aanmeldcentrum zou hebben geduurd. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 5 februari 2002 geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig was en deze op 6 februari 2002 werd opgeheven, maar dat er geen gronden waren voor schadevergoeding.
Bij het huidige verzoek van 14 maart 2002 betoogde eiser dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was vanaf 30 januari 2002 tot 22 februari 2002, omdat hij niet tijdig was doorgezonden naar een opvangcentrum. Verweerder stelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat de rechtmatigheid van de maatregel reeds was beoordeeld.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een verzoek tot schadevergoeding slechts kan worden ingediend in combinatie met een beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel of tijdens de zitting van dat beroep. Nu hierover reeds een rechterlijk oordeel was gegeven en de maatregel was opgeheven, kon de rechtbank het verzoek niet opnieuw beoordelen.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming wordt niet-ontvankelijk verklaard.