ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3453
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling na voorlopige hechtenis in vreemdelingenrecht
De vreemdeling werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, na een periode van voorlopige hechtenis wegens verdenking van diefstal. De maatregel van bewaring werd opgelegd met ingang van de einddatum van de voorlopige hechtenis, 10 februari 2002 om 08.00 uur. De rechtbank stelde vast dat de bewaring een definitief karakter had en niet als voorlopige maatregel kon worden aangemerkt, hetgeen in overeenstemming is met de geldende jurisprudentie.
De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat de voorlopige hechtenis niet op juiste wijze was beëindigd, maar de rechtbank verwierp dit verweer op grond van vaste jurisprudentie dat de vreemdelingenrechter niet over strafvorderlijke procedures kan oordelen tenzij onrechtmatigheid is vastgesteld.
Verder oordeelde de rechtbank dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en het ernstige vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.