ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3450
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens schending procedurele voorschriften
De vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit werd op 15 februari 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij was niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning en had zich aan het vreemdelingentoezicht onttrokken. De rechtbank beoordeelde of de bewaring in strijd was met de wet of onredelijk was.
De vreemdeling voerde aan dat niet was voldaan aan de procedurele voorschriften uit het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/2, met name het ontbreken van mededeling via Model 122 en het niet opmaken van een proces-verbaal volgens Model 111-B. De rechtbank oordeelde echter dat de informatie in de gebruikte processen-verbaal gelijkwaardig was aan die van Model 111-B en dat het niet gebruikmaken van Model 122 niet had geleid tot belangenverlies, mede gezien de korte duur van de bewaring en het feit dat de vreemdeling op 15 februari 2002 werd gehoord en geïnformeerd over zijn rechten.
Verder stelde de rechtbank vast dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Er was voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.