ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3445
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.F.J.M. Schröder
- Rechtspraak.nl
Schending recht op rechtsbijstand leidt tot onrechtmatigheid bewaring vreemdeling
Op 12 maart 2002 werd de vreemdeling in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen staande gehouden en in bewaring gesteld wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. Tijdens het verhoor in het kader van de ophouding gaf de vreemdeling aan een advocaat te willen, maar werd hem medegedeeld dat deze niet bereikbaar was. De vreemdeling verklaarde zich neer te leggen bij het verhoor zonder advocaat.
Bij het daaropvolgende verhoor voorafgaand aan de inbewaringstelling werd de vreemdeling wederom gehoord zonder advocaat, waarbij hij verklaarde geen bezwaar te hebben tegen het verhoor zonder advocaat. De rechtbank oordeelt echter dat deze verklaring niet betekent dat de vreemdeling afzag van zijn recht op rechtsbijstand, maar dat hij zich neerlegde bij de feitelijke situatie dat geen advocaat bereikbaar was.
Verweerder heeft de wachttijd van twee uur, voorgeschreven in het beleid, niet in acht genomen omdat werd aangenomen dat de vreemdeling afzag van rechtsbijstand. De rechtbank stelt dat dit onterecht was en dat het recht op rechtsbijstand is geschonden. Dit leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard en de bewaring wordt opgeheven.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de bewaring wordt opgeheven wegens schending van het recht op rechtsbijstand.