ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2020
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.J. Agema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en tijdigheid van maatregel van bewaring vreemdeling na strafrechtelijke detentie
De zaak betreft een Iraanse vreemdeling die na afloop van zijn strafrechtelijke detentie op 3 maart 2002 in bewaring werd gesteld met het oog op uitzetting. De maatregel werd op 1 maart 2002 aan eiser bekendgemaakt en de kennisgeving aan de rechtbank vond plaats op 5 maart 2002.
De rechtbank beoordeelde of de kennisgeving tijdig was conform artikel 94 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene Termijnenwet. Omdat de uiterste termijn op een maandag viel en de termijn geen twee werkdagen bevatte, werd deze verlengd tot dinsdag 5 maart 2002, waarmee de kennisgeving tijdig was gedaan.
Verder oordeelde de rechtbank dat het besluit om de bewaring te laten ingaan aansluitend op de strafrechtelijke detentie niet in strijd is met de wet. De maatregel is gericht op uitzetting en de overheid kan reeds tijdens de strafdetentie uitzettingshandelingen verrichten.
De rechtbank vond dat er voldoende gronden waren voor de bewaring, waaronder het ontbreken van identiteitspapieren en een strafrechtelijke veroordeling. Het voortduren van de bewaring was niet onrechtmatig gezien de zichtbaarheid op uitzetting binnen afzienbare termijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.