ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1951
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en doorprocederen bij verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Eiser, een vreemdeling met de Burundese nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit omdat hij meende dat de vergunning op een andere grond had moeten worden verleend of dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk procesbelang heeft bij het instellen van beroep, ook al brengt het oordeel geen wijziging in zijn materiële rechtspositie. Dit vloeit voort uit de aard van de rechtsbescherming in de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de rechtzoekende zich tot de onafhankelijke rechter kan wenden om de juiste vaststelling van zijn aanspraken te toetsen.
Verder bevestigde de rechtbank het volgtijdelijk vergunningensysteem van de Vreemdelingenwet 2000, dat doorprocederen voor een 'betere' verblijfsstatus voorkomt. Pas bij intrekking van de vergunning wordt beoordeeld of een andere grond voor verlening van toepassing is. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat het bestreden besluit in strijd is met internationale verdragen zoals het Vluchtelingenverdrag, EVRM, het Antifolterverdrag of het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de vordering van eiser af. Er werden geen kosten aan een partij opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.