ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1440
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming tijdens overbrenging vreemdeling naar plaats voor verhoor
Eiser, een vreemdeling van Poolse nationaliteit, werd op 28 februari 2002 om 13.00 uur heengezonden uit het strafrechtelijk voortraject, maar werd pas op 1 maart 2002 om 10.55 uur overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Verweerder stelde dat de periode tussen deze momenten onder artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 viel, maar de rechtbank oordeelde dat het vervoer pas op 1 maart om 8.00 uur begon en dat de periode daarvoor geen wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming bood.
De rechtbank stelde vast dat capaciteitsproblemen het vervoer hadden vertraagd, maar dat dit geen rechtvaardiging bood voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 maart 2002 en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten.
Het verzoek van eiser om schadevergoeding werd niet volledig behandeld en het onderzoek werd heropend voor een afzonderlijke uitspraak. De rechtbank wees tevens op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 maart 2002.