ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0309
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling na mislukte uitzetting
De vreemdeling, met Turkse nationaliteit, werd op 31 januari 2002 gepland verwijderd naar Turkije, maar verzette zich op Schiphol tegen de uitzetting. Na het mislukken van deze uitzetting verbleef hij drie dagen extra in een politiecel naast de negen dagen aan het begin van de bewaring. De gemachtigde voerde aan dat de bewaring opgeheven moest worden vanwege de cumulatieve duur van meer dan tien dagen in de politiecel.
De rechtbank oordeelde dat de REK-uitspraak van 11 mei 1994, die een verblijf in een politiecel van maximaal tien dagen bij aanvang van de bewaring toestaat, hier niet van toepassing is omdat het hier gaat om voortzetting van de bewaring en niet de aanvang. Het verzet van de vreemdeling tegen de uitzetting leidde tot vertraging, waarvoor hij zelf verantwoordelijk is. Daarom is het niet onredelijk dat hij drie dagen extra in de politiecel verbleef.
De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de vrijheidsontneming niet in strijd is met artikel 96, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de staatssecretaris handelt voortvarend. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding om de bewaring op te heffen of proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.