ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0201
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- I.J.B. Corbey
- F.M.D. Aardema
- P.J.M. Mol
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beleid omtrent niet-verlenging voorwaardelijke vergunning tot verblijf voor Irakezen zonder verblijfsalternatief in Noord-Irak
Eiser, een Iraakse asielzoeker, vordert verlenging van zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) omdat hij stelt dat Noord-Irak geen veilig verblijfsalternatief is vanwege de situatie aldaar en zijn individuele omstandigheden. Verweerder handhaaft het beleid dat Noord-Irak als veilig verblijfsalternatief geldt en dat individuele omstandigheden bij de vvtv-beslissing niet relevant zijn.
De rechtbank toetst het beleid aan de Vreemdelingenwet 1965 (oud) en recente jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat Noord-Irak geen categorale humanitaire noodsituatie kent en dat toegang tot voedsel, onderdak en medische zorg voldoende is. De rechtbank acht het ontbreken van toetsing aan familie-, gemeenschaps- of politieke banden met Noord-Irak geen reden om het beleid kennelijk onredelijk te achten.
De rechtbank concludeert dat het beleid sinds november 1998 consistent is gevoerd en dat het beroep van eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt om het beleid te verwerpen. Ook de individuele omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen afwijking van het beleid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet verlengen van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard.