ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8596
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling binnenlands verblijfsalternatief Noord-Irak bij asielaanvraag
Eiser, een Iraakse asielzoeker, betwist de weigering van de Staatssecretaris van Justitie om hem een verblijfsvergunning te verlenen op grond van het ontbreken van klemmende redenen van humanitaire aard. Centraal staat de vraag of Noord-Irak als binnenlands verblijfsalternatief kan worden beschouwd, waarbij eiser stelt dat hij daar niet over relevante banden beschikt.
De rechtbank overweegt dat de Staatssecretaris zich bij zijn beleidsbepaling heeft gebaseerd op ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarbij het standpunt van het UNHCR als richtinggevend maar niet bindend is aangemerkt. De Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) had eerder een grotere betekenis toegekend aan het UNHCR-standpunt, maar de rechtbank komt hierop terug.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bevestigd dat de Staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het beleid, neergelegd in de beleidsbrief van 1 juni 2001, de toetsing kan doorstaan. De rechtbank concludeert dat het ontbreken van banden in Noord-Irak niet afdoet aan het oordeel dat Noord-Irak als verblijfsalternatief kan gelden.
Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verblijf in Noord-Irak tot een humanitaire noodsituatie leidt of dat er andere klemmende redenen zijn om hem verblijf in Nederland toe te staan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en Noord-Irak geldt als binnenlands verblijfsalternatief zonder dat het beschikken over banden doorslaggevend is.