ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7063
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- O.A.P. van der Roest
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling van Turkse vreemdeling wegens ontbreken reisdocumenten
De Turkse vreemdeling is op 28 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij niet beschikte over de vereiste reisdocumenten. De rechtbank oordeelt dat de inbewaringstelling slechts rechtmatig is indien de noodzakelijke reisdocumenten binnen korte termijn beschikbaar zijn.
Verweerder stelde dat op basis van algemene ervaringsgegevens binnen vier weken een laissez-passer zou worden afgegeven, maar dit werd niet nader onderbouwd. De aanvraag van het laissez-passer vond pas een week na de inbewaringstelling plaats en er was geen bewijs van presentatie. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat de documenten tijdig beschikbaar zouden zijn.
Verder werd betwist of de juiste instantie was geïnformeerd over de voorgenomen inbewaringstelling. De rechtbank oordeelde dat de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) bevoegd is als raadsman en dat het informeren van de SRA in plaats van de piketcentrale niet onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van ƒ1420,-. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring wegens het ontbreken van noodzakelijke reisdocumenten binnen korte termijn.