ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7047
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onjuiste grondslag en toekenning schadevergoeding
Een Joegoslavische vreemdeling werd op 5 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij in het bezit was van een verlopen paspoort. De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat niet aannemelijk was dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer binnen korte termijn beschikbaar zouden zijn, hetgeen een vereiste is volgens de wet. De enkele stelling van verweerder dat op basis van ervaringsgegevens de Joegoslavische autoriteiten een laissez-passer zouden afgeven, was onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vreemdeling tijdig gehoord moest worden volgens artikel 94, tweede lid, Vw, maar dit op 16 april 2001, Tweede Paasdag, niet kon plaatsvinden; de hoorzitting vond daarom plaats op 17 april 2001, wat volgens de rechtbank correct was. De rechtbank vond dat de belangenafweging die aan de bewaring ten grondslag lag niet op een controleerbare wijze was gemaakt.
Gezien de onrechtmatigheid van de bewaring werd de maatregel per 19 april 2001 opgeheven en werd een schadevergoeding van 2.300 gulden toegekend voor de periode van 5 tot en met 18 april 2001, conform richtlijnen voor immateriële schade bij inverzekeringstelling. Tevens werden proceskosten van 710 gulden aan de vreemdeling toegekend, te voldoen door de Staat der Nederlanden.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en correcte toepassing van de wettelijke voorwaarden voor vreemdelingenbewaring, waarbij de fysieke verwijdering zeer nabij moet zijn voordat bewaring wordt toegepast.
Uitkomst: Bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onjuiste grondslag en er wordt schadevergoeding toegekend.