ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9756
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens overschrijding wettelijke ophoudingstermijn
Eiser werd op 4 december 2001 staande gehouden en opgehouden vanaf 19.45 uur. Volgens artikel 50, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mag ophouding maximaal zes uur duren, exclusief de tijd tussen middernacht en 9 uur 's ochtends, waardoor de ophoudingstermijn eindigde op 5 december 2001 om 10.45 uur. Eiser werd echter pas om 10.55 uur in bewaring gesteld, tien minuten na het verstrijken van deze termijn.
De rechtbank stelt vast dat het gehoor van eiser precies om 10.45 uur begon, het moment waarop de ophoudingstermijn afliep, maar dat de inbewaringstelling pas daarna plaatsvond. Dit leidt tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is, omdat de wettelijke termijnen strikt moeten worden nageleefd, zeker bij vrijheidsbeneming.
De verdediging van verweerder, die stelde dat eiser niet in zijn belangen was geschaad en verwees naar een eerdere uitspraak van de ABRS, wordt verworpen omdat in die zaak het gehoor vóór het verstrijken van de ophoudingstermijn was aangevangen, wat hier niet het geval was.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 13 december 2001 en kent een schadevergoeding toe van ƒ 1600,- (ƒ 200,- per dag voor acht dagen) aan eiser. Tevens worden de proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De bewaring van eiser is onrechtmatig verklaard vanwege overschrijding van de ophoudingstermijn, met opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.