ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8391
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering vergunning tot verblijf voor Iraakse asielzoeker wegens motiveringsgebrek
Eiser, een Iraakse christen, diende op 30 oktober 1997 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf (vtv). Zijn aanvraag werd geweigerd, terwijl aan zijn echtgenote en kinderen op dezelfde dag een vtv werd toegekend op humanitaire gronden. De rechtbank constateert dat verweerder bij de afwijzing van eisers aanvraag geen individuele belangenafweging heeft gemaakt, zoals vereist door artikel 8 EVRM Pro, en geen aandacht heeft besteed aan de verlening aan zijn gezinsleden.
De rechtbank oordeelt dat het asielrelaas van eiser op goede gronden ongeloofwaardig is bevonden, mede vanwege tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en het ontbreken van een reëel risico op vervolging. De weigering van toelating als vluchteling wordt daarom ongegrond verklaard. Echter, de weigering van de vtv is onjuist gemotiveerd en strijdig met de Algemene wet bestuursrecht, zodat dit besluit wordt vernietigd.
Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb Pro en de belangen van eiser, mede in het licht van de situatie van zijn gezinsleden, duidelijk worden betrokken. Tevens wordt eiser het betaalde griffierecht vergoed en wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De weigering van de vergunning tot verblijf wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, terwijl de weigering van toelating als vluchteling wordt bevestigd.