ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8260
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- O.A.P. van der Roest
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen bewaring vreemdeling na onrechtmatig binnentreden woning ongegrond verklaard
De vreemdeling werd op 29 november 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de politie zonder geldige machtiging, zonder toestemming en zonder legitimatie zijn woning was binnengedrongen. De rechtbank stelde vast dat de machtiging tot binnentreden niet specificeerde wie gemachtigd was en dat de politie zich niet had gelegitimeerd, wat in strijd was met de Algemene Wet op het Binnentreden.
De rechtbank oordeelde echter dat het perceel als woning van de vreemdeling diende en hij als bewoner moest worden aangemerkt, ook al stond hij niet in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven. Ondanks de onregelmatigheden bij het binnentreden, achtte de rechtbank deze niet onrechtmatig omdat de vreemdeling niet concreet had aangegeven in welk belang hij daardoor was geschaad. De politie had zich bekendgemaakt en het doel van hun komst toegelicht.
Verder bleek uit het proces-verbaal dat de machtiging was opgesteld voordat duidelijk was welke agenten zouden binnentreden, waardoor namen ontbraken. Dit werd laakbaar geacht, maar niet voldoende om de bewaring onrechtmatig te verklaren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De bewaring was niet in strijd met de Vreemdelingenwet en niet ongerechtvaardigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.