ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7604
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring wegens redelijk vermoeden illegaal verblijf
De vreemdeling, met de Surinaamse nationaliteit, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Dit vermoeden was gebaseerd op een anonieme tip die concrete gegevens bevatte zoals namen, geboortedata en een adres van de familie, evenals informatie over de werkzaamheden van de vreemdeling.
De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat de tip onvoldoende concreet was en dat de staandehouding en bewaring onrechtmatig waren. De rechtbank oordeelde echter dat de tip voldoende concreet en betrouwbaar was, en dat er objectieve feiten en omstandigheden waren die het redelijke vermoeden van illegaal verblijf rechtvaardigden.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat de belangenafweging de maatregel rechtvaardigde. Er werd tevens een overweging gegeven om de vreemdeling bij zijn ouders te laten verblijven indien zijn paspoort wordt overgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.