ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7601
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van bewaring en staandehouding vreemdeling in woning met toestemming bewoner
De vreemdeling, van Pakistaanse afkomst en illegaal in Nederland verblijvend, werd op 1 oktober 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. De politie betrad de woning met toestemming van een bewoner die de sleutel had verstrekt om persoonlijke bezittingen op te halen. De staandehouding vond plaats nadat de vreemdeling zich had bekend als illegaal verblijvend.
De vreemdeling voerde aan dat de politie onder een valse dekmantel de woning was binnengetreden, maar de rechtbank stelde vast dat er toestemming was gegeven en dat de legitimatieplicht was nageleefd. De politie had bovendien een redelijk vermoeden dat er illegale vreemdelingen aanwezig waren, wat de bevoegdheid tot betreden en staandehouding rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en staandehouding van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.