ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7334
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring vreemdeling zonder geldige verblijfsrecht
De vreemdeling, van Joegoslavische nationaliteit, werd op 16 september 2001 in bewaring gesteld wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het gebruik van een vervalst Italiaans identiteitsbewijs bij een poging tot uitreis. De vreemdeling betwistte de juistheid van het proces-verbaal van verhoor, met name de vermelding dat hij de Wit-Russische nationaliteit bezit en in de Russische taal werd gehoord, terwijl hij verklaarde dat het verhoor in het Albanees plaatsvond.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal, maar vond geen reden om aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte document te twijfelen. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een apart strafrechtelijk proces-verbaal van aanhouding niet leidt tot onrechtmatigheid, aangezien het proces-verbaal van staandehouding voldoende informatie bevatte.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring rechtmatig was opgelegd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000, omdat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, geen geldige verblijfsvergunning bezit en een vervalst reisdocument gebruikte. Er was een ernstig vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.