ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7314
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke aanhouding wegens Opiumwet
De vreemdeling, van Algerijnse nationaliteit, werd op 26 augustus 2001 aangehouden wegens overtreding van de Opiumwet. Hoewel hij niet strafrechtelijk werd vervolgd, leidde deze aanhouding tot een vreemdelingenrechtelijke staandehouding en inbewaringstelling wegens vermoedelijk illegaal verblijf.
De gemachtigde van de vreemdeling stelde dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond, en dat de vreemdelingenbewaring daarom onrechtmatig was en schadevergoeding moest worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat een marginale toetsing van het strafrechtelijk voortraject noodzakelijk was, omdat de strafrechter zich niet over de rechtmatigheid zou uitlaten.
Uit het proces-verbaal bleek dat de aanhouding plaatsvond na het zien van twee Noord-Afrikaanse mannen waarvan een bekend stond als gebruiker van verdovende middelen en de andere (de vreemdeling) werd genoemd als dealer. De rechtbank vond dat er voldoende aanknopingspunten waren voor een redelijk vermoeden van schuld en dat de strafrechtelijke aanhouding niet onrechtmatig was.
Verder concludeerde de rechtbank dat de vreemdeling geen geldige identiteitspapieren had en tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn nationaliteit, wat een ernstig vermoeden van het ontduiken van uitzetting opleverde. De bewaring was daarom gerechtvaardigd op grond van de openbare orde zoals bedoeld in artikel 59 Vw Pro 2000.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de bewaring niet werd opgeheven. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.