ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7118
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en terugkeer Iraakse asielzoeker
De vreemdeling, een Iraakse asielzoeker, werd op 17 oktober 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat geen zicht op uitzetting bestond, mede omdat het terugkeerprogramma van de IOM naar Noord-Irak was opgeschort en slechts Koerden werden teruggeplaatst.
De rechtbank onderzocht de situatie, waaronder de authenticiteit en bevoegdheid van overgelegde documenten van Koerdische vertegenwoordigers, en concludeerde dat deze niet voldoende aannemelijk maakten dat terugkeer onmogelijk is. De IOM faciliteert terugkeer voor alle Iraakse afgewezen asielzoekers, niet alleen Koerden. De overplaatsing van de vreemdeling naar het Grenshospitium vond binnen de wettelijk toegestane termijn plaats.
De rechtbank oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is en dat er voldoende zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.