ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7095
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging en bezit Russische nationaliteit
Eiseres, van Armeense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland nadat zij en haar gezin de Russische Federatie verlieten vanwege vermeende discriminatie en geweld. Zij stelde dat zij geen Russische nationaliteit had verkregen ondanks langdurig verblijf en dat zij gevaar liep vanwege haar afkomst en persoonlijke omstandigheden, waaronder een verkrachting.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiseres geen geldige reis- of identiteitspapieren kon overleggen en onvoldoende aannemelijk maakte dat het ontbreken hiervan niet aan haar te wijten was. Tevens was er twijfel over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas en ontbrak bewijs van vervolging of discriminatie door de overheid.
De rechtbank oordeelde dat eiseres waarschijnlijk de Russische nationaliteit van rechtswege had verkregen of had kunnen verkrijgen, mede door haar tijdelijke registratie (propiska). Er was geen bewijs van gegronde vrees voor vervolging of dat de autoriteiten haar geen bescherming konden bieden. De verkrachting werd als een communaal delict beoordeeld, waarvoor bescherming door de autoriteiten mogelijk was.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet voldeed aan de criteria voor asiel en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen reden om het beroep op te schorten vanwege de mogelijke komst van haar gezin naar Nederland. De uitspraak werd gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman op 4 oktober 2001.
Uitkomst: Het beroep op het asielverzoek wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van gegronde vrees voor vervolging en het bezit van de Russische nationaliteit.