ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6918
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- J.J. van Uchelen
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en verstrekkingen aan uitgeprocedeerde asielzoekers
Verzoekers, Somalische uitgeprocedeerde asielzoekers, maakten bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2001 van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) om hun verstrekkingen te beëindigen wegens vermeende onvoldoende medewerking aan terugkeer. Verzoekers vroegen tevens een voorlopige voorziening om de verstrekkingen te hervatten zolang het beroep in behandeling is.
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek, ondanks dat de asielaanvraag onder de oude Vreemdelingenwet viel, omdat het besluit na inwerkingtreding van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 is genomen en artikel 3a Wet COA van toepassing is. De rechtbank verwerpt het verweer dat de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 1997) onverbindend is.
De rechtbank stelt vast dat het besluit van 3 mei 2001 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het COA geen inhoudelijke overweging heeft gegeven aan de verklaringen van verzoekers dat zij bereid zijn mee te werken aan terugkeer. Het COA heeft slechts marginale toetsing toegepast en zich gebaseerd op gegevens van de IND zonder de gesprekken en verklaringen van verzoekers mee te wegen.
Gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel en de belangenafweging prevaleert het belang van verzoekers bij continuering van de opvang gedurende de beroepsprocedure boven het belang van verweerder bij beëindiging van de verstrekkingen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst en verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de verstrekkingen wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.