ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6843
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake intrekking verblijfsvergunning slachtoffer vrouwenhandel
Verzoekster, een Venezolaanse vrouw en slachtoffer van vrouwenhandel, diende op 23 augustus 1999 aangifte in. Op 27 oktober 1999 vroeg zij een verblijfsvergunning aan onder de beperking van hoofdstuk B17 Vreemdelingencirculaire 1994. De vergunning werd verleend met ingang van die datum, maar tegelijk ingetrokken per 2 november 1999 nadat het Openbaar Ministerie besloot af te zien van vervolging.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de intrekking en stelde dat de vergunning gehandhaafd had moeten blijven gedurende de beklagprocedure bij het Gerechtshof. Ook voerde zij aan dat de ingangsdatum van de vergunning onjuist was vastgesteld en dat zij recht had op een vergunning op humanitaire gronden. De president oordeelde dat de intrekking terecht was omdat niet langer werd voldaan aan de beperking, nu het strafrechtelijk onderzoek was beëindigd.
De president achtte dat de uitzetting tijdens de beklagprocedure op grond van het geldende beleid mocht worden opgeschort, maar dat dit belang was komen te vervallen omdat het Gerechtshof inmiddels uitspraak had gedaan. De ingangsdatum van de vergunning was volgens de stukken correct vastgesteld op 27 oktober 1999. Ten aanzien van de humanitaire gronden was onvoldoende onderbouwing geleverd om verblijf toe te staan.
De president concludeerde dat het bezwaar niet waarschijnlijk tot een andere uitkomst zal leiden en dat het verzoek tot voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen. Er was geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.