ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6807
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling na staandehouding door spoorwegpolitie
De vreemdeling is op 25 augustus 2001 op het stationsplein te Rotterdam aangehouden wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet en vervolgens staande gehouden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf volgens artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de staandehouding rechtmatig was en of de bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 terecht is opgelegd.
De gemachtigde van de vreemdeling betoogde dat de staandehouding niet rechtmatig was omdat deze was verricht door een surveillant van de spoorwegpolitie, die volgens hem niet bevoegd zou zijn, en bovendien discriminatoir en zonder redelijk vermoeden van schuld zou zijn geweest. De rechtbank oordeelt dat de surveillant werkzaam is bij het Korps Landelijke Politiediensten, Divisie Spoorwegpolitie, en daarmee bevoegd is tot staandehouding op grond van de Politiewet 1993 en de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank stelt vast dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van de strafrechtelijke verdenking en dat de staandehouding niet discriminerend was. De bewaring is gerechtvaardigd vanwege het ontbreken van een rechtmatig verblijf, het gevaar dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken, en het belang van de openbare orde. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de bewaring niet onrechtmatig is verklaard. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.