ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6795
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening wegens hoorrecht door Advies Commissie Vreemdelingenzaken bij verlies verblijfsrecht
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, had op grond van artikel 10, tweede lid, van de oude Vreemdelingenwet (Vw) een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd verkregen vanwege zijn huwelijk. Dit verblijfsrecht is op 5 februari 1997 van rechtswege komen te vervallen na ontwrichting van het huwelijk. Verzoeker diende pas op 3 juli 1998 een aanvraag in voor voortgezet verblijf, die werd afgewezen. Hiertegen werd bezwaar gemaakt.
De kern van het geschil betrof de vraag of verzoeker gehoord had moeten worden door de Advies Commissie Vreemdelingenzaken (ACV) bij de behandeling van het bezwaar, gelet op zijn voormalig verblijfsrecht. De rechtbank oordeelde dat het rechtsregime van vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, waarbij het horen door de ACV bij verlies van de status ex artikel 10 lid 2 Vw Pro in beginsel verplicht is.
De rechtbank stelde vast dat de late indiening van de aanvraag niet zonder meer leidt tot verval van de rechtsbescherming en dat de overgangsregeling dit niet uitsluit. Ook de ongewenstverklaring van verzoeker vormt geen reden om af te zien van het horen door de ACV. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij uitzetting werd verboden totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan verzoeker toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.