ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6756
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verstrekkingen aan uitgeprocedeerde asielzoeker wegens onvoldoende medewerking aan vertrek
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een Somalische asielzoeker tegen het besluit van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) om zijn verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 1997 (RVA 1997) te beëindigen. De kern van het geschil betrof de vraag of eiser voldoende had meegewerkt aan zijn vertrek uit Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingenrechter bevoegd was om over het geschil te oordelen, gelet op artikel 3a van de Wet COA en het niet van toepassing zijn van het overgangsrecht uit de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank bevestigde de verbindendheid van de RVA 1997 zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Feitelijk stond vast dat eiser geen reis- of identiteitsdocumenten had overgelegd en aanvankelijk weigerde het BRV 2 formulier te ondertekenen, waarin hij verklaart mee te werken aan het verkrijgen van reisdocumenten. Ondanks latere ondertekening en een aanvraag bij de International Organisation for Migration (IOM) vond de rechtbank dat deze handelingen na het bestreden besluit en tijdens beroep plaatsvonden en daarom niet relevant waren voor de beoordeling.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende had meegewerkt aan zijn vertrek, omdat hij de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van reisdocumenten bij de overheid legde en niet zelf actief handelde. Gelet op het beleid uit het Stappenplan 1999 was het beëindigen van de verstrekkingen door verweerder gerechtvaardigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van verstrekkingen wordt bevestigd.