ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6685
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak wegens onvoldoende gemotiveerde bewijsafwijzing
Verzoeker, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23). Kern van het geschil was of verzoeker kon aantonen dat hij vanaf 1 januari 1992 onafgebroken in Nederland heeft verbleven.
Verzoeker overlegde diverse documenten en getuigenverklaringen ter onderbouwing van zijn verblijf, maar verweerder stelde dat deze verklaringen onvoldoende specifiek en niet objectief verifieerbaar waren, en dat er sprake was van perioden waarin verzoeker niet in Nederland verbleef. De rechtbank oordeelde dat in bestuursrechtelijke procedures geen bijzondere bewijsregels gelden die getuigenverklaringen uitsluiten als zelfstandig bewijs en dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had waarom deze verklaringen niet als bewijs konden dienen.
Daarom kon het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd en mocht de uitzetting niet plaatsvinden zolang het bezwaar in behandeling was. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijswaardering en het recht op hoor en wederhoor in bestuursrechtelijke procedures, met name bij vreemdelingenzaken waar het verblijf wordt betwist.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.