ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6675
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring en staandehouding vreemdeling na overname door Nederlandse autoriteiten
De vreemdeling, met Oekraïense nationaliteit, werd op 31 juli 2001 in bewaring gesteld nadat hij door Nederlandse autoriteiten was overgenomen van Duitse autoriteiten op Duits grondgebied. De overname vond plaats nadat de Duitse autoriteiten hem de toegang tot Duitsland hadden geweigerd wegens het ontbreken van geldige identiteitspapieren. Na het passeren van de grens werd de vreemdeling staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat de Vreemdelingenwet 2000 alleen op Nederlands grondgebied van toepassing is en dat zij daarom niet kan oordelen over de vermeende onrechtmatige handelingen van Nederlandse autoriteiten in Duitsland. Ook werd geoordeeld dat de staandehouding in Nederland niet in strijd was met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verder concludeerde de rechtbank dat de weigering van toegang door de Duitse autoriteiten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf oplevert, rechtvaardigend de bewaring. De vreemdeling beschikte niet over een geldige verblijfsvergunning, had geen vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De bewaring was daarom rechtmatig en het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.