ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6510
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De vreemdelinge, een Turkse vrouw, werd op Schiphol aangehouden wegens bezit van een vals paspoort en haar toegang tot Nederland werd geweigerd. Vervolgens werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en voortgezet op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000, mede gebaseerd op het vermoeden dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
De vreemdelinge verklaarde in het nader gehoor dat zij tussen 1991 en 1998 actief deelnam aan de gewapende strijd binnen de PKK, vanaf 1993 als commandant van groepen tot 50 man en vanaf 1995 als lid van het centraal bestuur. Hoewel zij aanvankelijk stelde geen commandant te zijn geweest, wijzigde zij deze verklaring later niet overtuigend.
De rechtbank weegt deze verklaringen af tegen ambtsberichten waarin de PKK wordt beschreven als een organisatie die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder moorden en systematische vernietiging van infrastructuur. De rechtbank concludeert dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdelinge betrokken is bij een situatie als bedoeld in artikel 1F, waardoor de maatregel terecht is voortgezet.
Het beroep op onrechtmatigheid van de maatregel wegens vermeende toelating tot Nederland tijdens strafrechtelijk onderzoek wordt verworpen, evenals het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.