ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6334
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling van vreemdeling zonder voorafgaand gehoor
De vreemdeling werd na voorlopige hechtenis op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld zonder voorafgaand gehoor, hetgeen volgens artikel 5.2, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 vereist is. Verweerder stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals plotselinge vrijlating, het gehoor na de inbewaringstelling rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat een uitzondering op het voorafgaand horen slechts in zeer bijzondere gevallen is toegestaan en dat de situatie van plotselinge vrijlating daartoe niet behoort.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling niet voorafgaand aan de inbewaringstelling is gehoord en dat de wetgever met artikel 50, derde lid, Vw 2000 de mogelijkheid heeft gecreëerd om vreemdelingen aansluitend aan strafrechtelijke detentie staande te houden en te horen. Verweerder had niet gemotiveerd waarom hiervan was afgeweken. De inbewaringstelling werd daarom als onrechtmatig beoordeeld.
Als gevolg van deze onrechtmatigheid werd het beroep gegrond verklaard en werd een schadevergoeding toegekend voor de periode dat de vreemdeling ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel was onderworpen. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank 's-Gravenhage op 10 juli 2001.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige inbewaringstelling zonder voorafgaand gehoor.