ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6271
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Afghaanse beroepsmilitair wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Afghaanse beroepsmilitair en voormalig lid van de Democratische Volkspartij Afghanistan, vroeg asiel aan met het argument dat hij gegronde vrees had voor vervolging door de Taliban. Hij baseerde dit op zijn politieke verleden, de arrestatie en dood van zijn vader, en meerdere huisbezoeken door de Taliban.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (verweerder) verwierp de aanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar en stelde dat het lidmaatschap van de communistische partij en militaire dienst geen automatisch risico vormen. De rechtbank oordeelde dat eiser een belang had bij doorprocederen, maar dat zijn verhaal onvoldoende aannemelijk was. De huisbezoeken van de Taliban waren onvoldoende geconcretiseerd en het vermoeden van betrokkenheid bij een staatsgreep niet onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenstatus en dat ook geen klemmende humanitaire redenen bestonden voor verblijf. Het beroep werd ongegrond verklaard en de vergunning tot verblijf werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser op toelating als vluchteling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van gegronde vrees voor vervolging.