ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6149
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning na verbreking huwelijk
Verzoeker, een doofstomme man uit Turkije, verblijft sinds maart 1998 in Nederland en kreeg een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote. Na feitelijke verbreking van het huwelijk in mei 1999 trok de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vergunning in. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen, stellende dat hij vanwege zijn handicap en sociale omstandigheden in Turkije niet terug kan keren.
De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000. Omdat het huwelijk niet drie jaar heeft geduurd, kon verzoeker geen zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf krijgen. Ook de overgangsregeling voor het zoekjaar was niet van toepassing. De rechtbank concludeerde dat er geen klemmende humanitaire redenen waren die verblijf rechtvaardigen.
Verzoekers beroep op artikel 3 EVRM Pro en een eerdere uitspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens werd eveneens verworpen. De rechtbank achtte het beleid van de overheid niet onredelijk en vond dat verzoeker zijn belangen onvoldoende had onderbouwd. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het bezwaar had geen redelijke kans van slagen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van klemmende humanitaire redenen.