ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5973
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, is op 14 juni 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen omdat de vreemdeling zich recalcitrant gedroeg in het opvangcentrum en er een groot risico bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken zodra de noodzakelijke documenten voor verwijdering beschikbaar zouden zijn.
De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring behandeld op 25 juni 2001, waarbij ook een tolk aanwezig was. Na aanvullende informatie van verweerder over de termijn waarop een laissez-passer zou worden verstrekt, heeft de rechtbank vastgesteld dat de benodigde documenten binnen korte termijn beschikbaar zullen zijn.
De rechtbank heeft een marginale belangenafweging gemaakt tussen het belang van de overheid om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan uitzetting onttrekt en het belang van de vreemdeling om niet onterecht van zijn vrijheid te worden beroofd. Gezien het hinderlijke gedrag van de vreemdeling en het risico op ontduiking, acht de rechtbank de bewaring gerechtvaardigd.
Er is geen sprake van strijd met de Vreemdelingenwet 2000 of van een onredelijke belangenafweging. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd. Er worden geen proceskosten aan een van de partijen toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de vreemdelingenbewaring ongegrond en handhaaft de maatregel.