ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5905
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.E. van den Steenhoven-Drion
- A. Smedes
- W.P.M. Elderman
- Rechtspraak.nl
Weigering voorwaardelijke vergunning tot verblijf op grond van derdelandenexceptie niet deugdelijk gemotiveerd
Eiser, een Somalische asielzoeker behorend tot de clan der Rahanwein, diende op 16 augustus 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling in. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser zich pas 12 dagen na binnenkomst meldde zonder geldig reisdocument. Daarnaast werd een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) geweigerd op grond van het beleid in TBV 2000/16, dat stelt dat een vvtv kan worden onthouden indien de vreemdeling langer dan twee weken in een derde land verbleef waar hij bescherming kon krijgen en waar terugkeer niet onaannemelijk is.
De rechtbank toetst het beleid marginaal en oordeelt dat het beleid van verweerder inzake de derdelandenexceptie niet onredelijk is en niet in strijd is met eerdere Rechtseenheidskamer-uitspraak van 4 mei 2000. Echter, de rechtbank stelt vast dat TBV 2000/16 een beleidswijziging betreft die niet kan worden tegengeworpen aan vreemdelingen die hun aanvraag deden vóór de inwerkingtreding op 1 augustus 2000, zoals eiser.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk vervolging riskeert in Somalië en dat er geen sprake is van klemmende humanitaire redenen voor verblijf. De weigering van de vvtv is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het de weigering van de vvtv betreft, vernietigt het besluit en gelast een hernieuwde beslissing. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de weigering van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf en het besluit wordt vernietigd voor zover dit betreft de weigering van de vvtv.