ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5557
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bewaring en uitzetting vreemdeling met Chinese nationaliteit
De vreemdeling, met Chinese nationaliteit, werd aangehouden op grond van artikel 310 juncto Pro 311 Wetboek van Strafrecht en in voorlopige hechtenis gesteld. In het kader van het VRIS-project werden meerdere voorlopige bevelen tot bewaring afgegeven. Na ontslag uit voorlopige hechtenis op 31 mei 2001 werd hij opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000.
De gemachtigde voerde aan dat de procesorde was geschonden door het niet tijdig ontvangen van het dossier en dat uitzetting niet mocht plaatsvinden zonder bezwaar van het Openbaar Ministerie. De rechtbank oordeelde dat het onwenselijk is dat stukken niet tijdig worden toegezonden, maar dat dit in deze zaak geen gevolgen heeft. Uit het dossier bleek dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar had tegen uitzetting.
Hoewel de vreemdeling een asielaanvraag had ingediend, oordeelde de rechtbank dat deze niet als kansrijk kan worden beschouwd omdat de aanvraag pas na langdurige voorlopige hechtenis werd gedaan. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen over de aanvraag vangt pas aan na ontslag uit voorlopige hechtenis. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd is met de wet en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en uitzetting van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.