ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5540
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van bewaring afgewezen asielzoeker op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, een asielzoeker uit de Federatieve Republiek Joegoslavië, werd op 9 mei 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 nadat zijn asielaanvraag was afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van deze bewaring en de toepassing van het genoemde wetsartikel.
De vreemdeling voerde meerdere gronden aan tegen de bewaring, waaronder het ontbreken van een duidelijke grondslag op het bewaringformulier, strijdigheid met het Beleidsplan Aanmeldcentra van 1994, het ontbreken van een belangenafweging, het ontbreken van een lichter middel dan bewaring, en het niet informeren over het recht op rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat hoewel het formulier niet volledig was ingevuld, de grondslag wel duidelijk was vermeld.
De rechtbank stelde vast dat de wetgever met artikel 59 lid 2 Vw Pro bewust afweek van het eerdere beleidsplan, waardoor bewaring van afgewezen asielzoekers met benodigde documenten mogelijk is. Hoewel een expliciete belangenafweging ontbrak, achtte de rechtbank dit niet onrechtmatig omdat de uitkomst ook bij een expliciete afweging niet anders zou zijn geweest. Verder was het gebruik van een lichter middel niet passend gezien het vluchtgevaar en het ontbreken van verblijfplaats en geldige documenten. De vreemdeling was ook gewezen op het recht op rechtsbijstand. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De bewaring van de afgewezen asielzoeker op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 is gerechtvaardigd en het beroep en verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.