ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5490
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering voorwaardelijke vergunning tot verblijf wegens manifest bedrog onvoldoende gemotiveerd
Eisers, afkomstig uit Afghanistan en van Hindoe-afkomst, vroegen asiel en een vergunning tot verblijf aan in Nederland. Verweerder weigerde deze vergunningen omdat de identiteit en het asielrelaas van eisers niet geloofwaardig werden geacht, mede vanwege vermoedelijk vervalste identiteitsdocumenten en onvoldoende medewerking bij het vaststellen van verblijf in een veilig derde land.
De rechtbank oordeelt dat de situatie van Hindoes in Afghanistan niet zodanig is dat zij zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. De verklaringen van eisers over bedreigingen en de dood van hun zoon zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt en stroken niet met ambtsberichten. Ook is twijfel over het verblijf van eisers in Afghanistan gerechtvaardigd.
Verweerder baseerde de weigering van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf op manifest bedrog wegens onvoldoende en onjuiste informatie. De rechtbank stelt echter dat onvoldoende bewijs is geleverd dat eisers doelbewust hebben misleid en dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard voor zover het de weigering van de voorwaardelijke vergunning betreft, en wordt verweerder opgedragen nieuwe beschikkingen te geven. Voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de weigering van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf vanwege onvoldoende gemotiveerd oordeel over manifest bedrog.