ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5468

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/17010
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbArt. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 26a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vrijheidsontnemende maatregel bij vreemdeling en rechtmatigheid bewaring

Eiser, een vreemdeling van Surinaamse dan wel Franse nationaliteit, werd op 7 maart 2001 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel, dat op 30 maart 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd de voortzetting van de maatregel door verweerder gemeld aan de rechtbank op 26 april 2001, waarna het beroep tegen deze voortzetting werd behandeld op 10 mei 2001.

Eiser stelde dat de kennisgeving van de voortzetting niet tijdig was gedaan volgens de Vreemdelingencirculaire, waardoor zijn belangen geschaad zouden zijn door onvoldoende voorbereidingstijd. Daarnaast betoogde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij het verkrijgen van een laissez-passer van de Surinaamse autoriteiten. Verweerder stelde dat de termijnoverschrijding een interne aangelegenheid was en dat eiser niet in zijn belangen was geschaad. Tevens werd gesteld dat er voldoende voortvarendheid was, gezien de wekelijkse rappellering bij de autoriteiten.

De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de kennisgevingstermijn aan de IND niet automatisch leidt tot schending van de belangen van eiser, mits hij tijdig werd geïnformeerd. De rechtbank vond niet aannemelijk dat eiser hierdoor onvoldoende voorbereidingstijd had. Ook was er geen sprake van onvoldoende voortvarendheid van verweerder, aangezien de Surinaamse autoriteiten de aanvraag voor een laissez-passer in behandeling hadden genomen en de relatie met deze autoriteiten was verbeterd.

De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was en in redelijkheid gerechtvaardigd kon worden geacht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

UITSPRAAK
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
enkelvoudige kamer
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 01/17010 VRONTO
inzake : A, alias A, geboren op [...] 1980, van (gestelde) Surinaamse dan wel Franse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser, gemachtigde: mr. J.L.W. Nillesen, advocaat te Amsterdam,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. F. Lijffijt, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 7 maart 2001 is eiser op grond van artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Eiser heeft op 7 maart 2001 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit beroep is bij uitspraak van 30 maart 2001 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.
Verweerder heeft de rechtbank op 26 april 2001 van het voortduren van de vrijheidsontneming in kennis gesteld. Krachtens artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 mei 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
Eiser is van mening dat niet is voldaan aan hetgeen in hoofdstuk A5/6.2.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) is gesteld. Volgens genoemd artikel dienen de voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijke ambtenaren vijf werkdagen voor het verstrijken van de termijn van achtentwintig dagen de IND in kennis te stellen van alle gegevens omtrent het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel en de voortgang van de verwijdering. In casu is de voortgangsrapportage pas op 2 mei 2001 overgelegd in plaats van op 23 april 2001. Deze regel is bestemd om de procedure goed te laten lopen en alle partijen voldoende tijd ter voorbereiding te geven. Eiser is dan ook van mening dat de bewaring vanaf 23 april 2001 onrechtmatig is.
Voorts stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Op 6 april 2001 heeft een presentatie van eiser bij de Surinaamse autoriteiten plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt echter dat eiser in het verleden al een visumaanvraag heeft ingediend en dat er een paspoortnummer van eiser bekend is. De autoriteiten hadden derhalve al over kunnen gaan tot het verstrekken van een laissez-passser.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
Verweerder merkt op dat, door het feit dat verweerder eerst op 2 mei 2001 van de vreemdelingendienst de voortgangsrapportage heeft ontvangen, eiser niet in zijn belangen is geschaad aangezien het hier een interne instructie betreft. Voorts is eiser op 6 april 2001 bij de Surinaamse autoriteiten gepresenteerd. Sindsdien rappelleert verweerder wekelijks bij deze autoriteiten.
Verweerder is dan ook van mening dat voldoende voortvarend wordt gehandeld. De relatie met de Surinaamse autoriteiten is verbeterd en verweerder verwacht derhalve op korte termijn een laissez-passer.
De rechtbank overweegt het volgende.
Onderhavig beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
In A5/6.2.5 van de Vc 2000 is bepaald dat in de procedure bij het voortduren van de maatregel van vrijheidsontneming de voor de vrijheidsontneming verantwoordelijke ambtenaren vijf werkdagen vóór het verstrijken van de termijn van achtentwintig dagen de IND in kennis dienen te stellen van alle gegevens omtrent het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel en de voortgang van de verwijdering.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser niet in zijn belangen zijn geschaad als de vreemdelingendienst deze termijn tegenover de IND niet in acht neemt. Ingevolge
artikel 3.5.4.3. onder b van de Richtlijnen Vreemdelingenkamer dient verweerder eiser en de rechtbank gelijktijdig met de kennisgeving Vw 2000 aan de rechtbank in kennis te stellen van alle gegevens omtrent het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.
Weliswaar heeft verweerder de rechtbank op 26 april 2001 van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld en eerst op 2 mei 2001 de desbetreffende gegevens aan de rechtbank en eiser(s) (gemachtigde) doen toekomen, desalniettemin kan niet worden geconcludeerd dat deze gang van zaken tot opheffing van de maatregel zou moeten leiden. Niet aannemelijk is geworden dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad vanwege het feit dat het hem zou hebben ontbroken aan voldoende voorbereidingstijd voorafgaand aan de zitting.
De rechtbank is, gelet op hetgeen ter zitting is medegedeeld, alsmede op hetgeen uit de stukken blijkt, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat thans geen reëel zicht op uitzetting bestaat dan wel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De Surinaamse autoriteiten hebben immers de aanvraag om verstrekking van een laissez-passer in behandeling genomen.
De rechtbank concludeert dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2001, in tegenwoordigheid van M.H. Ettema, griffier.
Afschrift verzonden op: 17 mei 2001