ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5348
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en amv-regulier
Eiser, een Koerdische minderjarige uit Noord-Irak, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel en een reguliere verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag af op grond van het ontbreken van vluchtelingenstatus, onvoldoende aannemelijkheid van risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer, en het niet voldoen aan de voorwaarden voor een reguliere verblijfsvergunning amv.
De rechtbank oordeelde ambtshalve dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het deel van het beroep dat ziet op de reguliere verblijfsvergunning amv, omdat tegen dit besluit eerst bezwaar moet worden gemaakt bij de IND. Dit deel van het beroep werd doorgezonden naar de IND voor behandeling als bezwaar. De rechtbank behandelde alleen het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel.
Na inhoudelijke toetsing concludeerde de rechtbank dat eiser geen vluchteling is en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Irak een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling. Ook werd geoordeeld dat het vestigingsalternatief in Noord-Irak niet relevant was voor de beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het onderzoek gesloten op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.W.M. van Hoof op 14 augustus 2001 in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het amv-gedeelte van het beroep en verklaart het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond.