ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2357
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens ontbreken machtiging voorlopig verblijf
Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid of humanitaire redenen. Deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou opschorten zolang het bezwaar aanhangig is.
De rechtbank overwoog dat het toepasselijke overgangsrecht bepaalt dat voor besluiten bekendgemaakt vóór 1 april 2001 het oude recht geldt, maar dat de heroverweging van het besluit op bezwaar onder het nieuwe recht valt. De rechtbank oordeelde dat de weigering van de aanvraag terecht was op grond van het ontbreken van een mvv, tenzij een vrijstellingsgrond of de hardheidsclausule van toepassing is. Verzoeker voerde asielgerelateerde gronden aan, maar de rechtbank stelde vast dat deze niet onder de hardheidsclausule voor reguliere verblijfsvergunningen vallen.
De rechtbank concludeerde dat de uitzetting niet achterwege hoeft te blijven en dat de president bevoegd was om dit te beslissen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitzetting op te schorten wordt afgewezen.