ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2041

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/09994 BESLU
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 8:8 WmRegeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling 9 mei 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangen van eigenaar nabij natuurontwikkelingsproject bij vaststelling begrenzingsplan

Eiser, eigenaar en exploitant van een varkenshouderij nabij het natuurontwikkelingsproject Binnenduinrand van Voorne, maakte bezwaar tegen het door verweerder vastgestelde begrenzingsplan. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen gronden binnen het begrensde natuurontwikkelingsproject bezit.

De rechtbank oordeelt dat, anders dan verweerder stelt, ook eigenaren van aangrenzende gronden die binnen het vergroot aankoopgebied liggen, zoals eiser, belanghebbenden kunnen zijn bij een besluit van algemene strekking zoals het begrenzingsplan. Het feit dat ten aanzien van het vergroot aankoopgebied geen aankoopplicht geldt en dat nadere besluitvorming vereist is, doet hieraan niet af.

De rechtbank vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij besluiten van algemene strekking en bevestigt dat de rechtspositie van omwonenden en eigenaren nabij het projectgebied kan worden geraakt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar vernietigd.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
tweede kamer, enkelvoudig
Reg. nr. AWB 00/09994 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
A, wonende te B, eiser,
en
het college van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 29 december 1999, bekend gemaakt bij schrijven van 18 januari 2000, heeft verweerder op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling van 9 mei 1995, Strct. 17 mei 1995, nr. 95 (hierna de regeling) het begrenzingenplan natuurontwikkelingsproject Binnenduinrand van Voorne (hierna het begrenzingenplan) vastgesteld.
Daartegen heeft eiser bij brief van 28 februari 2000 bezwaar aangetekend.
Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaren door de Derde Kamer uit de bezwarencommissie-Awb op 11 mei 2000.
Bij besluit van 14 juli 2000, verzonden op 24 juli 2000 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van bovengenoemde commissie de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 september 2000, nader aangevuld bij brief van 4 oktober 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 19 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 22 februari 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. de Jong, vergezeld van J.C. van Tiel en H.P. Kamminga.
Motivering
Aan de orde is de vraag of verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de vaststelling van het begrenzingenplan.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb moet onder belanghebbende worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In geschil is of eisers belang rechtstreeks is betrokken bij de vaststelling van het begrenzingenplan.
Binnen het door het plan begrensde gebied beoogt verweerder natuurgebied te ontwikkelen. Daartoe is, ter verwerving van grond, aankoopgebied aangewezen.
Op grond van artikel 1, onderdeel q, van de regeling wordt onder aankoopgebied verstaan: gebied bestaande uit agrarische cultuurgronden, die voor verwerving ten behoeve van het natuurontwikkelingsgebied in aanmerking komen en waarvan het natuurontwikkelingsproject onderdeel uitmaakt, dan wel een aan een reservaatsgebied grenzend gebied bestaande uit agrarische cultuurgronden die verworven kunnen worden ter ondersteuning van de verwerving van gronden in het reservaatsgebied.
Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de regeling wordt bij de begrenzing van een natuurontwikkelingsproject de begrenzing van het aankoopgebied gevoegd, indien de natuurontwikkeling niet uitsluitend in het kader van landinrichting uit kracht van de Landinrichtingswet tot stand wordt gebracht en het aankoopgebied groter is dan het natuurontwikkelingsproject.
Artikel 47 van Pro de regeling roept, kort gezegd en voor zover hier van belang, wanneer een grondeigenaar (op basis van vrijwilligheid) percelen grond gelegen in het begrensde natuurontwikkelingsproject aanbiedt, een aankoopplicht voor het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) in het leven.
Ten aanzien van grond in dat deel van het aankoopgebied dat het begrensde natuurontwikkelingsproject overschrijdt (het vergroot aankoopgebied), bestaat op grond van de regeling geen aankoopplicht voor BBL.
Bij de begrenzing van het onderhavige natuurontwikkelingsproject is de begrenzing van een vergroot aankoopgebied gevoegd.
Eiser, die een varkenshouderij exploiteert aan de […]weg te B, heeft aangevoerd dat zijn belangen rechtstreeks bij het vaststellingsbesluit zijn betrokken, nu zijn bedrijf is gelegen nabij het beoogde natuurgebied en binnen het vergroot aankoopgebied.
Hij betoogt voorts dat nieuw natuurgebied in de directe omgeving van zijn bedrijf hem, gelet op de milieuregelgeving, beperkt in de voorgenomen uitbreiding van zijn bedrijf. Een en ander is weliswaar afhankelijk van nader te nemen besluiten, maar het onderhavige begrenzingenplan werpt zijn schaduw daarop reeds vooruit. Hij wijst op artikel 8:8 van Pro de Wet milieubeheer. Bij het verlenen van vergunningen wordt ingevolge die bepaling rekening gehouden met te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat slechts eigenaren en gebruikers van gronden die zijn gelegen binnen de begrenzing van het natuurontwikkelingsproject belangen hebben die rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit tot vaststelling van het begrenzingenplan.
Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 1998, no. H01.97.0181/Q01.
De rechtbank overweegt als volgt.
In voornoemde uitspraak van 12 maart 1998 heeft de Afdeling overwogen dat bij een besluit van algemene strekking, waartoe beheers- en een begrenzingenplannen moeten worden gerekend, de rechtspositie van vele rechtssubjecten kan worden bepaald. Van geval tot geval moet worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. De Afdeling overwoog dat het in het betreffende geval om de reikwijdte van de rechten en plichten gaat die voor grondeigenaren en pachters ten aanzien van hun gronden (in dit geval gelegen in begrensd gebied) gaan gelden en dat er geen grond is voor het oordeel dat de belangen van de betreffende appellanten niet rechtstreeks bij het vaststellingsbesluit zijn betrokken.
Eiser heeft geen gronden binnen de begrenzing van het natuurontwikkelingsproject. Eisers gronden zijn gelegen in de directe nabijheid van het beoogde natuurontwikkelingsgebied en in het vergroot aankoopgebied.
Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling valt naar het oordeel van de rechtbank evenwel, anders dan verweerder meent, niet af te leiden dat slechts eigenaren en gebruikers van gronden binnen het begrensde natuurontwikkelingsproject als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De rechtsvraag of eigenaren van aangrenzende gronden als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt lag in het betreffende geschil niet voor. Wie belanghebbend is moet in het concrete geval worden onderzocht. Daarbij kan bij een besluit van algemene strekking, zoals het onderhavige, aansluiting worden gezocht bij de groep van belanghebbenden die gewoonlijk als zodanig wordt erkend bij besluiten op grond van de desbetreffende regeling. Daartoe worden in het algemeen, naast bijvoorbeeld eigenaren van percelen, zakelijk gerechtigden en eventuele concurrenten, ook omwonenden gerekend.
Gezien de ligging van zijn gronden kan dan ook niet worden gezegd dat eiser niet voldoende rechtstreeks belang heeft bij de vaststelling van het begrenzingenplan. Daar komt nog bij dat eisers gronden op grond van de regeling bij het onderhavige begrenzingenplan zijn aangewezen als vergroot aankoopgebied. Niet doorslaggevend is, anders dan verweerder heeft betoogd, dat ten aanzien van het vergroot aankoopgebied geen aankoopplicht voor BBL geldt. Evenmin is van doorslaggevend belang dat voor de verwezenlijking van de doelstelling van het begrenzingenplan nog nadere besluitvorming is vereist.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder eiser ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het begrenzingenplan. Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven, zodat het beroep gegrond is.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de gegrondverklaring van het beroep niet met zich brengt dat eisers bezwaren tegen het begrenzingenplan ook gegrond zijn; verweerder zal hierover een besluit moeten nemen.
De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ? 1420,-, te weten ? 710,- voor het beroepschrift en ? 710,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de Provincie Zuid-Holland aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten ? 225,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van ? 1420,-, welke kosten de Provincie Zuid-Holland aan eiser moet vergoeden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Aldus gegeven door mr. M. Kramer en in het openbaar uitgesproken op
19 april 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.W.W. Koppe.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: