ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1933
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens onvoldoende motivering weigering verblijfsvergunning bij eerwraakrisico
Eiser, een Koerdische man uit Noord-Irak, verzocht om toelating tot Nederland als vluchteling en een verblijfsvergunning wegens humanitaire redenen. Zijn asielverzoek was gebaseerd op het risico op eerwraak na de gedwongen beëindiging van zijn relatie met een vrouw uit een stam die haar familie als schending van de eer beschouwde. De vrouw werd gedood en eiser vreesde eveneens voor zijn leven.
De staatssecretaris wees het verzoek af, stellende dat de door eiser gestelde eerwraak niet verband hield met de vluchtelingengronden en dat er een vestigingsalternatief bestond. De rechtbank oordeelde dat het ambtsbericht onvoldoende duidelijkheid gaf over het risico voor de man en de mate van bescherming door lokale autoriteiten. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering in het besluit.
De rechtbank achtte het relaas van eiser aannemelijk binnen de context van het ambtsbericht en concludeerde dat de weigering van de vergunning onvoldoende was onderbouwd. Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen voor heroverweging. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard en de beschikking vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico op eerwraak en bescherming door autoriteiten.