ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1769

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/7253
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.F.J.M. Schröder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 VwArt. 34j VwArt. 231 SrArt. 326 SrArt. 449 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming van vreemdeling

Op 15 februari 2001 is een vreemdeling gedurende 2,5 uur onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd, omdat hij tussen overdracht aan de Vreemdelingendienst en het verhoor voorafgaand aan de inbewaringstelling zonder geldige titel werd vastgehouden. De rechtbank oordeelt dat deze vrijheidsbeneming onrechtmatig was en dat de daarop volgende bewaring eveneens onrechtmatig was.

De vreemdeling verbleef enige tijd illegaal in Nederland, gebruikte doelbewust een vals of vervalst paspoort om een sofinummer te verkrijgen en maakte gebruik van aliassen. Hierdoor mocht hij verwachten dat hij in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld zodra zijn aanwezigheid werd opgemerkt. De rechtbank acht daarom billijkheidsgredenen aanwezig om de schadevergoeding te matigen en besluit deze te halveren.

De bewaring werd op 22 februari 2001 opgeheven nadat de vreemdeling was uitgezet naar Turkije. De rechtbank kent een schadevergoeding van ƒ700 toe voor de onrechtmatige bewaring van 7 dagen en veroordeelt de Staat in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De vreemdeling krijgt een schadevergoeding van ƒ700 wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming, gehalveerd vanwege zijn illegale verblijf en gebruik van vals paspoort.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Zwolle
Vreemdelingenkamer
regnr.: 01/7253 OVERIO GC
U I T S P R A A K
op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1969,
van Turkse nationaliteit,
alias A,
geboren op [...] 1969,
van Griekse nationaliteit,
alias A,
geboren op [...] 1972,
van Turkse nationaliteit.
Namens de vreemdeling heeft mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem, op 19 februari 2001 beroep ingesteld tegen de bewaring, bevolen op 15 februari 2001 en verzocht schadevergoeding toe te kennen.
De bewaring is op 22 februari 2001 opgeheven, aangezien op deze datum de vreemdeling is uitgezet naar Turkije.
Namens de vreemdeling is aangegeven dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding wordt gehandhaafd.
Openbare behandeling van het beroep heeft op 27 februari 2001 plaatsgevonden. Daarbij is namens de vreemdeling mr. drs. Hol voornoemd verschenen.
Namens de Staatssecretaris van Justitie is de heer N. van Mourik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Zwolle, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen en het verzoek om
schadevergoeding af te wijzen.
R E C H T S O V E R W E G I N G E N
Ingevolge artikel 34j van de Vreemdelingenwet (Vw) kan, indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsbeneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om
opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een schadevergoeding worden toegekend.
Gelet op het namens de vreemdeling gedane verzoek om schadevergoeding oordeelt de rechtbank omtrent de bewaring als volgt.
Op 13 februari 2001 heeft de vreemdeling zich in het belastingkantoor te Zaandam gelegitimeerd met een Grieks paspoort ten aanzien van welk paspoort het vermoeden rees dat deze vals dan wel vervalst was. De vreemdeling is daarop
aangehouden op grond van artikel 231 en Pro artikel 326, Wetboek van Strafrecht. Op 15 februari 2001 om 17:00 uur is de vreemdeling na afronding van het strafrechtelijk traject aansluitend overgedragen aan de Vreemdelingendienst. Nadat
op 15 februari 2001 om 19:45 uur de vreemdeling was gehoord in verband met artikel 26 Vw Pro, is de vreemdeling diezelfde dag op 20:30 uur in bewaring gesteld, daar de uitzetting van de vreemdeling was gelast en omdat het belang van de
openbare orde de inbewaringstelling vorderde, zoals nader in het bevel aangegeven (artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vw).
Ter zitting heeft de gemachtigde van de vreemdeling aangevoerd en heeft verweerder erkend dat zich tussen het moment van overdracht van de vreemdeling aan de Vreemdelingendienst en het tijdstip van verhoor voorafgaand aan de
inbewaringstelling een tijdsspanne bevindt van 2,5 uren waarin sprake is geweest van vrijheidsbeneming van de vreemdeling zonder dat daarvoor een geldige titel aanwezig was.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Nu de vreemdeling op 15 februari 2001 2,5 uren is vastgehouden zonder dat daarvoor een geldige titel bestond en voorts niet is gebleken dat zich in casu bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die een dergelijke
vrijheidsbeneming rechtvaardigen, is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling op 15 februari 2001 vanaf 17:00 uur tot 19:45 uur onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dientengevolge is de op deze onrechtmatige
vrijheidsbeneming volgende bewaring van aanvang af onrechtmatig geweest.
Het beroep dient derhave gegrond te worden verklaard.
Ten aanzien van de gevraagde schadevergoeding verwijst de rechtbank naar de arresten van het gerechtshof 's-Gravenhage van 17 september 1999, kenmerk 221bijz99 en van 10 december 1999, kenmerk 215bijz99.
Voor zover hier van belang volgt uit het arrest van 17 september 1999 dat het hof van oordeel is dat gronden van billijkheid die tot matiging van de aan de vreemdeling te betalen schadevergoeding leiden, aanwezig kunnen zijn indien:
a. de bewaring om formele redenen onrechtmatig is geacht,
b. geen redenen bestaan waarom de bewaring niet gerechtvaardigd zou zijn, indien de formele fouten niet zouden zijn gemaakt, en
c. indien de vreemdeling zodanig in strijd handelde met de Nederlandse Vreemdelingenwetgeving dat hij welbewust het risico heeft genomen dat hij in bewaring zou worden gesteld.
Nu de vreemdeling in casu enige tijd illegaal in Nederland heeft verbleven, doelbewust gebruik heeft gemaakt van een vals dan wel vervalst paspoort teneinde op die wijze een sofi-nummer te verkrijgen en zich heeft bediend van
aliassen, mocht hij verwachten dat hij in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, zodra zijn aanwezigheid hier te lande door een met vreemdelingentoezicht belaste instantie zou worden opgemerkt. Immers, de vreemdeling beschikte
noch over een geldige verblijfstitel, noch over geldige identiteitspapieren. Daarnaast heeft hij nagelaten zich te melden bij enige, met vreemdelingentoezicht belaste instantie. Niet is gebleken dat hij pogingen heeft ondernomen om
zijn verblijf hier te lande een legale status te geven. Nu de bewaring wegens een formeel gebrek onrechtmatig wordt bevonden, acht de rechtbank in navolging van de uitspaak van het Hof van 17 september 1999 gronden van billijkheid
aanwezig de schadevergoeding wegens de ten onrechte in bewaring doorgebrachte tijd te matigen.
In de lijn van het arrest van het Hof van 10 december 1999 acht de rechtbank de bovengenoemde aan de vreemdeling gerelateerde omstandigheden onvoldoende om de schade tot nihil te matigen. De rechtbank ziet in de bovenvermelde
omstandigheden aanleiding tot halvering van de schadevergoeding.
Gelet op het vorenstaande komt de vreemdeling voor de ten onrechte in detentie doorgebrachte periode van 15 februari 2001 tot 22 februari 2001 derhalve een bedrag toe van 7 maal ƒ 100,--, in totaal ƒ 700,--.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
B E S L I S S I N G
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- wijst het verzoek schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe ter grootte van ƒ 700,--;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.
Aldus gewezen door mr. drs. H.F.J.M. Schröder in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2001
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep
instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in artikel 449 en Pro 451a Wetboek van Strafvordering bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle.
----------------
Afschrift verzonden: 6 maart 2001