ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1764
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Hazara uit Afghanistan wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Afghaan behorend tot de Hazara-bevolkingsgroep, verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning wegens humanitaire redenen. Hij stelde dat hij als sji'itisch moslim en Hazara werd mishandeld en gediscrimineerd door de Taliban, met name een mishandeling in 1996 die littekens naliet. Eiser leefde ondergedoken en verliet Afghanistan eind 1997/begin 1998.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de Hazara's een kwetsbare positie innemen en leden regelmatig worden blootgesteld aan intimidatie en gedwongen recrutering, niet iedere Hazara automatisch vluchteling is. Voor vluchtelingschap is vereist dat sprake is van op de persoon gerichte vervolging. De mishandeling van eiser was niet persoonlijk gericht maar had betrekking op de Wahdat-partij. Verder was er geen bewijs van verscherpte aandacht of moeilijkheden in het jaar voorafgaand aan zijn vertrek.
De rechtbank concludeerde dat de discriminatie en bejegening niet zodanig waren dat dit als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt. Ook waren er geen klemmende humanitaire redenen voor verblijf. Verweerder mocht daarom de verblijfsvergunning zonder beperking weigeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van kosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning zonder beperking wordt geweigerd.