ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1675
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen ophouding vreemdeling wegens gebrek aan rechtmatigheidstoetsing
De vreemdeling werd op 1 april 2001 staandegehouden en vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Er werd melding gemaakt van een voornemen tot inbewaringstelling op grond van artikel 59 Vw2000, maar de vreemdeling is niet in bewaring gesteld en na ophouding heengezonden.
De rechtbank ontving op 2 april 2001 het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregelen, inclusief een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de inbewaringstelling niet-ontvankelijk was omdat de vreemdeling niet in bewaring was gesteld.
De rechtbank stelde vast dat geen stukken waren opgesteld die de omstandigheden van de staandehouding en ophouding verduidelijken, en dat verweerder ter zitting geen informatie kon verschaffen. Hierdoor kon de rechtmatigheid van de ophouding niet worden getoetst, waardoor het beroep tegen de ophouding gegrond werd verklaard.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de vrijheidsontneming slechts kort was en geen nadere onderbouwing van schade was gegeven. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van f 1420,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het betreft het vrijheidsontnemende besluit.
Uitkomst: Beroep tegen ophouding gegrond verklaard wegens ontbreken rechtmatigheidstoets, beroep tegen inbewaringstelling niet-ontvankelijk, schadevergoeding afgewezen.