ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1668
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.J. Brands
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 15 april 2001 in bewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling heeft op dezelfde dag beroep ingesteld tegen deze bewaring met het verzoek tot opheffing en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft op 25 april 2001 het beroep behandeld en geoordeeld dat de kennisgeving van de bewaring door de Staatssecretaris op 17 april 2001 buiten beschouwing blijft, aangezien de vreemdeling zelf al op 15 april 2001 beroep had ingesteld. De rechtbank heeft onderzocht of de bewaring rechtmatig was en oordeelde dat er een redelijk vermoeden bestond dat de vreemdeling een strafbaar feit had gepleegd en illegaal in Nederland verbleef.
De maatregel van ophouding voor verhoor en de daaropvolgende bewaring zijn volgens de rechtbank op juiste gronden toegepast. De vreemdeling beschikte niet over een geldig identiteitsbewijs, onttrok zich aan het vreemdelingentoezicht en had onvoldoende middelen van bestaan. Er was bovendien een ernstig vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. De rechtbank achtte voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werden geen proceskosten aan een van de partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.