ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1667
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling, met Cubaanse nationaliteit, werd op 5 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
Het beroep tegen deze bewaring werd op 7 april 2001 ontvangen door het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken. De rechtbank overwoog dat de wettelijke termijn van zeven dagen voor het houden van de zitting correct was toegepast, waarbij rekening werd gehouden met het verlengen van termijnen die op een feestdag eindigen volgens de Algemene Termijnenwet.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring op een juiste wettelijke grondslag berustte, gezien het ernstige vermoeden van strafbaar gedrag en het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus. De maatregel was niet in strijd met de wet of onredelijk.
De bewaring werd op 9 april 2001 opgeheven en de vreemdeling werd verzocht Nederland binnen 48 uur te verlaten. De vreemdeling en zijn gemachtigde verschenen niet bij de zitting op 17 april 2001. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.