ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1666
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens late inzending stukken
De vreemdeling, met Roemeense nationaliteit en verblijvend in het Huis van Bewaring te Hoofddorp, werd op 15 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. De gemachtigde voerde aan dat de stukken pas op 20 april 2001 in de ochtend werden ontvangen, waardoor onvoldoende tijd was om de zaak voor te bereiden en contact met de cliënt te hebben, hetgeen tot gegrondverklaring van het beroep zou moeten leiden.
De rechtbank oordeelde dat de verplichting voor verweerder bestond om uiterlijk twee werkdagen voor de zittingsdatum de stukken beschikbaar te stellen, ook onder de nieuwe wet. Echter, de late beschikbaarheid van de stukken vlak voor een weekend leidde niet tot schending van de belangen van de verdediging, mede omdat geen schorsing werd gevraagd en er geen inhoudelijke complicaties waren.
Verder werd vastgesteld dat de bewaring op een juiste grondslag berustte: de vreemdeling beschikte niet over een geldige verblijfsstatus, identiteitsbewijs, onttrok zich aan toezicht en werd verdacht van een strafbaar feit. Er was voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.