ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1236

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/2292 VRONTO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.J. van Bennekom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 VwArt. 34a VwArt. 34j VwArt. 8:70 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortgezette bewaring en uitzetting vreemdeling met Surinaamse nationaliteit

Eiser, een vreemdeling met Surinaamse nationaliteit, is op 11 november 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet en er is een last tot uitzetting gegeven. Na een eerder ongegrond verklaard beroep tegen de bewaring, is nu het tweede beroep aan de orde waarbij de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel wordt beoordeeld.

Eiser voert aan dat er geen reëel perspectief is op uitzetting omdat hij pas op 13 maart 2001 persoonlijk zal worden gepresenteerd bij de nieuwe Surinaamse consul, terwijl de bewaring al 2,5 maand duurt. Verweerder stelt dat het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser nog loopt, dat er maandelijks gerappelleerd wordt en dat sinds januari 2001 vijf laissez-passers zijn verstrekt door de Surinaamse autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat het tijdsverloop door de nieuwe werkwijze van de consul niet disproportioneel is en dat er wel degelijk een reële mogelijkheid op uitzetting bestaat. Ook is geen sprake van onvoldoende voortvarendheid van verweerder. Gelet op de ernst van het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld en de belangenafweging acht de rechtbank de bewaring gerechtvaardigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen voortgezette bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
enkelvoudige kamer
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr.: AWB 01/2292 VRONTO
inzake: A, van (gestelde) Surinaamse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij bevel tot bewaring van 11 november 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.
Een eerder beroep van eiser, waarbij opheffing van de bewaring werd gevorderd, is bij uitspraak van 5 december 2000 door deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 19 januari 2001 heeft mr. J.M.R. Maas, advocaat te Amsterdam, namens eiser wederom beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede
toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 30 januari 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Maas, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M. Verweij, werkzaam bij de Immigratie-
en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is op 17 november 2000 bij de Surinaamse autoriteiten gepresenteerd. Nergens uit de in het dossier opgenomen stukken blijkt dat sedert die datum gerappelleerd wordt
naar de voortgang van dat onderzoek. Tot op heden is aan eiser geen laissez-passer afgegeven. Een reëel perspectief op uitzetting van eiser is derhalve niet aanwezig.
Voorts wordt eiser pas op 13 maart 2001 in persoon gepresenteerd bij de Surinaamse autoriteiten. De consequentie van die nieuwe presentatie bij de Surinaamse autoriteiten is dat eiser onredelijk lang moet wachten, en dan is nog de
vraag of een laissez-passer zal worden verstrekt. Verweerder werkt derhalve niet met de vereiste voortvarendheid aan de uitzetting van eiser.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Het onderzoek dat naar aanleiding van de schriftelijke presentatie op 17 november 2000 door de Surinaamse autoriteiten wordt uitgevoerd loopt nog, en er wordt
maandelijks naar de voortgang ervan gerappelleerd.
Sinds januari 2001 is er een nieuwe Surinaamse consul. Sindsdien moeten alle personen die eerder schriftelijk zijn gepresenteerd opnieuw in persoon worden gepresenteerd. De eerst mogelijke datum om eiser in persoon te presenteren is
13 maart 2001. Verder is verweerder bekend dat sinds het begin van dit jaar al vijf laissez-passers door de Surinaamse autoriteiten zijn verstrekt.
De rechtbank overweegt het volgende.
Onderhavig beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
De rechtbank is niet gebleken dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt. Daartoe redengevend is dat verweerder eiser op 17 november 2000 bij de Surinaamse autoriteiten schriftelijk heeft gepresenteerd. Dit onderzoek ter
vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser bij die autoriteiten is nog niet afgerond. Weliswaar moet verweerder eiser, in verband met de nieuwe werkwijze van de met ingang van januari 2001 in functie zijnde nieuwe
consul in persoon presenteren, en zal dat pas op 13 maart 2001 plaatsvinden, doch dit tijdsverloop is niet zodanig disproportioneel dat nu geconcludeerd moet worden dat er geen zicht meer bestaat op uitzetting. Hierbij neemt de
rechtbank in aanmerking dat de bewaring thans 2½ maand duurt. Mede gelet op de inhoud van het dossier en de door verweerder gedane mededeling dat sinds het begin van dit jaar vijf laissez-passers zijn verstrekt door de Surinaamse
autoriteiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de afgifte van een laissez-passer door de Surinaamse autoriteiten in het geval van eiser geen reële mogelijkheid meer is. Uit het vorengaande blijkt evenmin
dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt. De extra tijd die het gevolg is van de nieuwe werkwijze van de consul komt in beginsel weliswaar voor rekening van verweerder, maar die is niet buiten
verhouding te achten. Bovendien is van belang dat eiser in 2000 tot 4 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens een ernstig strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt
het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j van de Vw of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2001, in tegenwoordigheid
van mr. I. El Haddouchi, griffier.
Afschrift verzonden op: 7 maart 2001
Conc.:IH
Coll:
Bp:-
D:B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de
uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.